Basisformules: procent / percentage berekenen
Een percentage drukt een verhouding uit als deel van honderd. In het Nederlands worden 'procent' en 'percentage' vaak door elkaar gebruikt, maar 'procent' verwijst doorgaans naar de eenheid (5 procent = 5%) en 'percentage' naar de verhouding zelf (een hoog percentage). Voor alledaagse berekeningen gebruik je drie kernformules.
Eerste formule: X% van Y berekenen. Deel het percentage door 100 en vermenigvuldig met het totaal. Bijvoorbeeld 21% van EUR 200 = (21 / 100) x 200 = EUR 42. Dit is de basis voor BTW-berekeningen, kortingen en fooi.
Tweede formule: X is welk percentage van Y. Deel X door Y en vermenigvuldig met 100. Voorbeeld: EUR 30 is welk percentage van EUR 200? (30 / 200) x 100 = 15%. Handig om aandeel of marktaandeel te bepalen.
Derde formule: procentuele verandering tussen oude en nieuwe waarde. Trek de oude waarde af van de nieuwe, deel door de oude waarde en vermenigvuldig met 100. Van EUR 100 naar EUR 125 is ((125 - 100) / 100) x 100 = +25%.
Procentpunten vs. procenten: het cruciale verschil
Het verschil tussen procentpunten en procenten zorgt geregeld voor verwarring in nieuwsberichten over rente, werkloosheid of belasting. Een procentpunt is het absolute verschil tussen twee percentages; een procent is een relatief verschil.
Voorbeeld: als de hypotheekrente stijgt van 3% naar 4%, is dat een toename van 1 procentpunt. Relatief is het echter een stijging van (4 - 3) / 3 x 100 = 33,3%. Een krantenkop die schrijft 'rente stijgt met 33%' is technisch correct maar misleidend; correcter is 'rente stijgt met 1 procentpunt'.
Dezelfde nuance geldt voor BTW-tarieven, inflatiecijfers van het CBS en werkloosheidsstatistieken. Bij financiele beslissingen loont het om altijd te controleren welke van de twee bedoeld wordt.
BTW berekenen: 21%, 9% en 0% in Nederland
Nederland kent drie BTW-tarieven volgens de Wet op de omzetbelasting 1968, beheerd door de Belastingdienst. Het algemene tarief is 21% (de meeste goederen en diensten), het verlaagde tarief is 9% (voedsel, boeken, geneesmiddelen, personenvervoer, kappers) en het nultarief 0% (export binnen de EU, internationaal vervoer).
BTW erbij optellen (van bedrag exclusief naar inclusief BTW): vermenigvuldig het netto bedrag met 1,21 voor het algemene tarief of 1,09 voor het verlaagde tarief. Een artikel van EUR 100 exclusief BTW kost EUR 121 inclusief 21% BTW.
BTW eraf halen (van inclusief naar exclusief): deel het bruto bedrag door 1,21 (of 1,09). Een factuur van EUR 121 inclusief 21% BTW bevat EUR 121 / 1,21 = EUR 100 exclusief en EUR 21 BTW. Let op: BTW eraf halen is NIET hetzelfde als 21% van het bruto bedrag aftrekken (dat zou EUR 95,59 geven, wat onjuist is).
Kortingen, salarisverhogingen en aanbiedingen
Kortingen zijn percentageaftrek van een oorspronkelijke prijs. Een jas van EUR 180 met 30% korting kost (1 - 0,30) x 180 = 0,70 x 180 = EUR 126. De besparing is EUR 54. Bij stapelkortingen (bijvoorbeeld eerst 20%, daarna nog 10%) is het effect 0,80 x 0,90 = 0,72, dus 28% totale korting - niet 30%.
Salarisverhogingen in Nederland worden vaak uitgedrukt als bruto percentage in CAO-akkoorden. Een loonsverhoging van 4% op een bruto maandsalaris van EUR 3.500 levert 3.500 x 1,04 = EUR 3.640 op, een verhoging van EUR 140 bruto. Het netto effect is lager door belastingschijven (Wet IB 2001).
Vergelijk altijd absolute bedragen, niet alleen percentages. 5% korting op EUR 2.000 (EUR 100) is meer waard dan 20% korting op EUR 400 (EUR 80).
Samengestelde groei: rente op rente
Bij samengestelde groei wordt elk jaar het percentage berekend over het nieuwe, gegroeide bedrag - niet over het oorspronkelijke bedrag. De formule is: Eindbedrag = Beginbedrag x (1 + r)^n, waarbij r het groeipercentage per periode is en n het aantal perioden.
Voorbeeld spaargeld: EUR 10.000 met 3% rente per jaar groeit in 10 jaar tot 10.000 x (1,03)^10 = EUR 13.439, ofwel een totale groei van 34,4% (niet 30%). De extra EUR 439 komt van rente-op-rente.
Hetzelfde principe geldt voor inflatie (CBS publiceert maandelijks de consumentenprijsindex), hypotheekrente en beleggingsrendementen. Een gemiddelde inflatie van 2,5% per jaar betekent dat de prijzen na 20 jaar 1,025^20 = 1,64 keer zo hoog zijn - een stijging van 64%.